|
Reeds op jonge leeftijd
gaf hij blijk van zijn wil om te gaan tekenen, te gaan
schilderen. Schilderen betekende in die dagen te Mill
verven. Kees ging in de leer bij Van Strijp.
Vier
winters lang bracht deze tekenaar, ontwerper, hem de
beginselen bij van de teken- en schildertechniek. Nadat
hij als huisschilder naar Den Bosch was vertrokken nam
hij nog enige tijd tekenlessen bij Hendrik de Laat. Niet
lang, want beide karakters verdroegen elkaar niet.
Omstreeks 1930 begon Kees Bastiaans met een eigen
schildersbedrijf te Mill en verwierf hij vooral
bekendheid door de wijze waarop hij blank hout wist te
marmeren. Hij deed dit zo precies dat zijn
opdrachtgevers geen genoegen namen wanneer Kees een van
zijn knechten stuurde. Tijd voor zijn eigen
schilderkunst was er steeds minder. Toch wilde hij
eerder bloemen dan deurposten schilderen.
Na zijn huwelijk met Mien
Derks in 1937 besloot hij ondanks de weinig rooskleurige
financiėle toekomst, zijn zaak te sluiten en
kunstschilder te gaan worden. Hiertoe volgde hij een
opleiding aan de academie “Kunstoefening“ te Arnhem. Leraren
waren hier Gerard van Lerven en Hendrik Valk.
Belangrijk in deze magere
jaren, die tevens jaren van zoeken betekenden, was de
morele steun van Jan Sluyters en professor Huib Luns.
Zij staken een hart onder de riem. Hij ging door met
zijn schilderijen, hield enkele exposities, maar
verkocht weinig werk. Rekeningen betaalde hij vaak met
schilderijen.
Het was geen makkelijke
weg die Kees Bastiaans had gekozen maar uit zijn diep
geloof putte hij een onverwoestbaar optimisme. Hij had
een rotsvast vertrouwen in de goede afloop, de troost
ofwel het vooruitzicht op het hiernamaals was voor hem
ruimschoots voldoende om zijn leven te leven.
Vanuit deze filosofie kon
hij, ondanks de moeilijkheden materieel en artistiek
gezien, gemakkelijk relativeren.
|